SPECIAL 02.01


Fournituren en garens
Internationale productie; maar verticale formules scoren
Made to Measure: Stilte voor de Storm
Als de eigen armen te kort zijn...




Fournituren en garens

De markt voor fournituren en garens is in Nederland nooit goed in kaart gebracht. Dat is ook buitengewoon moeilijk omdat er geen betrouwbare marktgegevens te verkrijgen zijn anders dan via enquêtes onder leveranciers en afnemers. Dat is lastig want waar de leveranciers redelijk geconcentreerd zijn, is de vraag zeer versnipperd. In deze Contec Update gaan we van een andere basis uit: de invoer en uitvoerstatistieken.

We hebben betrouwbare reeksen kunnen verkrijgen voor een aantal producten: naaigarens, knopen en ritsen. Onze analyse gaat uit van de invoercijfers en de uitvoercijfers. Binnen de uitvoercijfers kijken we ook naar de uitvoer voor veredeling. In totaliteit exporteert Nederland voor bijna € 20 miljoen fournituren, waarvan een derde industriële naaigarens. Ongeveer 40% van de uitvoer bestaat uit uitvoer voor veredeling, maar ook de directe export gaat hoofdzakelijk naar productielanden in Midden en Oost Europa en Noord Afrika. Ruim 3/4 van de export van fournituren gaat mee naar de productielanden. De exportwaarde van fournituren is ongeveer 10% van de totale exportwaarde naar die landen.

Fournituren: klein bier
In zijn totaliteit zijn de in en uitvoerstromen van fournituren klein bier. De totale invoer en uitvoer van textiel en kleding is meer dan ¤ 20 miljard opgeteld. De betekenis van de fourniturensector is duidelijk gekoppeld aan het veredelingsverkeer en aan binnenlandse productie (gordijnen). De export van fournituren kent een duidelijke groei tot 1997 en is sindsdien in een neerwaartse trend. In 2000 was er nog stabiliteit ten opzichte van 1998 enkel door een gestegen uitvoer van ritsen. Na 2000 zet de daling in, hetgeen ook tot uiting komt in de eerste indicaties over 2001 (onvolledige gegevens).

Omslag in het veredelingsverkeer
Deze trendbreuk komt overeen met de omslag in de groei van het veredelingsverkeer. Vanaf 1996 is men door de liberalisering van de quota steeds meer overgegaan op invoer van gereed product. Fournituren worden steeds minder meegezonden met stoffen en sjablonen, maar worden door de loonconfectionair in het productieland betrokken. Gevolg is wel dat de Nederlandse fournituren producenten en handelaren zelf naar die landen zijn gaan exporteren. De verplaatsing van productie is ook in de fourniturensector zichtbaar: een groeiend deel van de export bestaat uit delen van knopen of ritssluitingen, die in de productielanden afgewerkt worden.

Binnenlandse productie van fournituren is beperkt, en is de laatste jaren duidelijk verminderd. De markt wordt vooral voorzien door invoer uit de EU en steeds meer uit niet-EU landen. Vooral na 1997 is er een sprong in de invoer van naaigarens uit niet-EU landen. Het grootste deel wordt weder uitgevoerd ten behoeve van buitenlandse productie, zij het dat de binnenlandse consumptie van naaigarens redelijk op peil blijft, hoogstwaarschijnlijk door de gordijnenconfectie.

Klanten zoeken kernleveranciers
De structuur van de fourniturensector verandert ook, onder invloed van concentratie in het inkoopbeleid van klanten. De dominante trend is om voorraadniveau?s in fournituren te verlagen. Dat betekent het verleggen van de voorraad naar de leverancier of de loonconfectionair. Dat betekent ook partnership waarbij het aantal leveranciers van fournituren wordt beperkt tot 3 à 5 spelers die een breed pakket moeten aanleveren met een hoog service niveau. Voor leveranciers de keuze: een brede leverancier met een diepe service, of juist productie verplaatsen en specialist blijven.

De fourniturensector is een relatief kleine, maar uiterst belangrijke schakel in de bedrijfskolom en kent daardoor ook zijn uitdagingen. Het gebruik van fournituren is zeker ook afhankelijk van mode tendensen en verdient daarom bijzondere aandacht. Ook de kwaliteit van de fournituren heeft een grote invloed op het eindproduct, derhalve is een goede productkennis een absolute voorwaarde voor een goed inkoopbeleid en het maken van de juiste keuze bij het zoeken naar kernleveranciers. De totale Nederlandse fourniturenmarkt is naar schatting 90 miljoen euro (garens, ritsen, knopen, elastiek en overige fournituren).u

Export en (export voor veredeling) van fournituren 1994-2000 in (€ 1000)

 
1994
1996 1998 2000
Naaigaren Totaal 3880 (2180) 5455 (2250) 4856 (2733) 5373 (2379)
Knopen 6825 (3579) 8861 (3538) 9283 (5242) 8082 (3305)
Ritsen 3136 (1668) 3634 (2126) 5248 (3268) 6170 (2478)
         
Totaal 13841 (7427) 17950 (7914) 19387 (11243) 19625 (8162)




Internationale productie; maar verticale formules scoren

Het is geen geheim dat confectieproductie een zeer internationale aangelegenheid is geworden. Met 98% van de productie voor rekening van Nederlandse opdrachtgevers, die over de grens plaatsvindt, is productie een grenzeloze aangelegenheid. De aard van buitenlandse productie is wel veranderd. Na een duidelijke verschuiving van productie vanuit Azië naar Oost Europa en een sterkere aandacht voor eigen productie, is er in de afgelopen 2 jaar sprake van een kentering. Ver weg produceren is prijstechnisch te aantrekkelijk en de schoenmaker houdt zich graag bij de leest. Een wrangere constatering is dat we teveel ontwerpers/handelaren zijn om goede productie aan te kunnen sturen. Na dertig jaar desindustrialisering breekt het besef echt door dat we onze productiekennis kwijt zijn en ook niet meer kunnen opbouwen: het onderwijs leidt er niet toe en de werkervaringsplaatsen zijn er ook onvoldoende. Het einde van een tijdperk is dan toch gekomen.

Afhankelijkheid
Toch is daarmee de kous niet af. Opdrachtgevers zijn steeds meer afhankelijk van hun toeleveranciers in hun prestatie naar de consument (en de detaillist). Lastig om iets te moeten beloven wat je niet zelf kunt waar maken. Het gaat dan om het beheersen van een steeds grotere variatie in producten, het versnellen van omloopcycli en het foutloos afleveren. Met aangescherpte aansprakelijkheid, met stijgende milieu en veiligheidseisen en met binnenkort wellicht een wettelijke informatieplicht om omstandigheden bij toeleveranciers te rapporteren, raken opdrachtgevers steeds meer in de knel.

Uitdagingen
Een uitdaging die ook is opgepakt door de leveranciers van software aan de modebranche. Lectra, Gerber en Investronica nog bestempelen als CAD/CAM boeren, doet ze geen recht aan. Steeds meer komen ze met oplossingen voor voorbereiding van het hele industrialisatieproces en voor productiebeheersing bij uitbesteding. Het gaat niet meer om het leveren van een patroneer, gradeer en intekenprogramma. Je kunt bijna stellen dat CAD een rijpe technologie is geworden. Het gaat om collectiemanagement, aansturen van productie-uitbesteding op meerdere plaatsen in de wereld op basis van een gemeenschappelijke software platform.

Netwerk
Op papier is het een prachtig verhaal: opdrachtgever en confectionairs onderling verbonden in een netwerk waarin collectiemanagement, productie-instructie verenigd zijn. De technologie bestaat, zowel Lectra als Gerber bieden het aan. Dat is meer dan koppelen van PDM aan ERP of het maken van een stukje maatwerk in een PDM pakket. Het gaat echt om interactief en gestructureerd samen producten ontwikkelen en aanpassingen in producten te volgen. In het verlengde daarvan horen ook versterkte verantwoordelijkheden voor de toeleverancier zoals het rechtstreeks inkopen van materialen, uitlopen op klantorder vanuit productie en never out of stock programma?s bij de fabriek bijhouden.

Complexiteit
Dit zijn complexe projecten die verder gaan dan het installeren en trainen van een software applicatie op één of meerdere werkplekken. Het zijn complexe implementaties waar teams uit meerdere landen moeten samenwerken. Dit is alleen te doen door leveranciers van oplossingen met een wereldwijd verkoop-, implementatie en service netwerk. Het gaat hierbij om het operationaliseren van strategische samenwerking tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Lectra en Gerber melden dat het een concept is, dat veelbelovend is maar dat op vele weerstanden stuit, zowel in de visieontwikkeling, de investeringsbereidheid en de organisatorische lange adem. Niet voor niets zijn het maar een klein aantal grote spelers die hun eigen productontwikkeling synchroniseren met de productievoorbereiding van hun toeleveranciers.

Het is niet toevallig dat vooral de verticale formules (design, merk en winkel in één hand) hier het voortouw nemen. Zij hebben als eerste en als beste begrepen dat de winst in de 21ste eeuw niet komt door brutomarge maar door omzetsnelheid: dat is winst maken door snel inspelen op de consument, snel nieuwe producten lanceren en foutloos afleveren.u



Made to Measure: Stilte voor de Storm

Made to measure was enkele jaren geleden de grote belofte. Op de Contec 1998 werd een demonstratie gegeven waarbij vanuit een bodyscan een blouse op maat werd gemaakt met een ink-jet print naar wens. Een prachtige samenwerking van TNO, Contec, Lectra en Stork. Het was een belofte voor meer. MODINT, Contec en TNO startten een haalbaarheidstudie en ook op straat was het een en ander zichtbaar: Hout-Brox introduceerde de Bodyscanner in zijn winkels en menig merk lanceerde een ?linea sartoriale?. Stork vervolmaakte zijn ink-jet techniek en Lectra, Gerber en anderen verfijnden hun aanbod op het gebied van made to measure. Inmiddels is het enige tastbare succes het NedScan project, maar dat is hoofdzakelijk door de overheid en door branchevreemde bedrijven voorgefinancierd.

Marketing gimmick?
Drie jaar later lijkt het allemaal een marketingboom onder invloed van de hoogconjunctuur. Hout-Brox heeft in meerdere winkels scanners staan, maar hun applicatie is eerder een marketing gimmick dan een nieuw technologisch concept. Feitelijk werd het een manier om meer omzet uit een verkoopcontact te halen. De scan was slechts twee dimensionaal en de gegevens werden per fax of mail naar de producent gestuurd die dan handmatig een bestaand patroon aanpaste.

Van Winkel Fashions gaat gewoon door met zijn personal made hemden op de beproefde voet en ook in het topsegment gingen Zegna, Corneliani en anderen door met maatconfectie. De dot.com rage stortte zich vol enthousiasme op de mogelijkheden van mass customization, vaak zonder enige kennis van zaken en uiteindelijk met te weinig financiële lange adem. Alleen Possen timmert nog hardnekkig aan de weg, maar na de scan gebeurt er technologisch niets spannends. Er lijkt niets wezenlijks te zijn veranderd.

Productie weer in Nederland?
Menigeen heeft zich afgevraagd wat de implicaties van made to measure zouden zijn voor productie in Nederland. TNO suggereerde meer dan eens dat productie weer in Nederland zou plaatsvinden. Het Ministerie van Economische Zaken dacht een echt industriepolitiek concept aan de hoorns te hebben. Op Europees niveau lanceerde EURATEX het project E-Tailor, de Europese Unie co-financierde ook het project Fashion Me, een methode om interactief kleding te kiezen en te passen op basis van maatgegevens. De eerste applicatie is te zien bij het Portugese Maconde op www.macmoda.pt en de productie op enkele stuks basis wordt inderdaad in Portugal afgewikkeld.

Het is gemakkelijk om in een recessie al deze projecten als luchtkastelen te bestempelen. Ondertussen is er het nodige gebeurd. De bodyscan heeft indruk gemaakt en in elk geval een nieuwe Nederlandse maattabel gegenereerd. Internet heeft de transactiekosten dramatisch doen dalen en de belangrijkste CAD-CAM leveranciers hebben hun aanbod sterk op de made to measure gericht. Zo heeft Lectra het Modelis-Fitnet pakket dat vanuit de winkel het ingeven van force mogelijk maakt en een output naar een aangepaste intekening of aansturing van de snijtafel verzorgt. Lectra heeft door de samenwerking met Tecmath ook de koppeling van scan naar intekening technisch rond. Ook Gerber en Investronica richten zich op deze markt maar voor geen van hen loopt het storm.

Wie overwint de belemmeringen?
En toch gaat mass customization langzaam. Bedrijven blijven gefocust op confectie met minimale ordergroottes: daar is de organisatie, de competenties, de administratieve systemen, het kosten- batenmodel en de inkoop en productie op afgestemd. In de textielindustrie werkt men nog het liefst met lange metrages. Terzake competente confectie in de Benelux bestaat er nauwelijks meer en in Oost Europa zijn de beste bedrijven gericht op seriematige productie. Kortom een lastige materie, conceptueel moeilijk, lastig om op een projectmatige wijze vorm te geven en stuitend op belemmeringen intern en gebrek aan samenwerking bij toeleveranciers. Made to measure projecten stuiten dan ook nog tegen onzekerheid en kosten en onzekerheid in opbrengsten en een volstrekt onduidelijke terugverdientijd voor investeringen waarvoor de invoering ook vol onzekerheden is. Geen wonder dat in slechte tijden het denken hierover stil staat en de invoering van dergelijke concepten staakt. Is het wachten op een volgende conjunctuuromslag of zal de revolutie vanuit een onverwachte hoek komen. Het is stilte voor de storm, maar we weten nog niet wie de doorbraak zal forceren.u



Als de eigen armen te kort zijn...

Verlekkerd kan men staan kijken naar speciaalmachines met geprogrammeerde bewerkingen en voorzien van snelle motoren en extra productiviteitsverhogende gadgets. Aankopen is één ding, onderhouden is iets anders. Het schoonhouden en onderhouden van de machine, het tijdig vervangen van versleten onderdelen en het voorzien van geleiders en andere ergonomische hulpstukken; het zijn de kleine dingen die het verschil maken. Toch wordt het vaak vergeten: productiviteit is niet zozeer een kwestie van nieuwe machines maar vooral van een goed onderhouden machinepark dat aangepast is op de type productie en de vaardigheden van het personeel. Het gaat ook om aandachtspunten als: het schoonhouden van de machines, voldoende smeren van bewegende delen, stofvrij houden van motoren.

In de moderniseringsprogramma?s van de kledingindustrie, zoals in het Verenigd Koninkrijk uitgevoerd door NEDO, in Tunesië door het CETTEX en in Marokko onder aansturing van de brancheorganisatie AMITH, wordt veel aandacht besteed aan de bijdrage van kleine maatregelen aan de productiviteit. Bij NEDO schat men in dat de meeste productiviteitsverhogende maatregelen minder dan ¤ 10,00 per ingreep kosten. Bij de Hongaarse kledingorganisatie schat men in dat de productiviteit in de industrie met 40% omhoog kan door een geheel aan kleine ingrepen in machine en werkplek. Niet onbelangrijk is daarbij een strakkere manier van leidinggeven en aandacht voor productie in de leiding. Het gaat daarbij om actief gebruik te maken van de steunpunten die in productielanden aanwezig zijn.

Contacten netwerk
Niet voor niets hebben de leidende importeurs/leveranciers van machines, Wybenga en Eisenkolb hun vleugels uitgeslagen in belangrijke productielanden. Wybenga heeft vestigingen in Tunesië, Hongarije en Polen. Eisenkolb opereert vanuit Bladel maar werkt op een projectmatige basis in veel productielanden. Het gaat niet alleen maar om verkoop van machines maar vooral om installatie, aanpassing en onderhoud van machines. Daarnaast moeten we nog denken aan de vele bedrijven die actief zijn in de handel en installatie van tweedehands machines. Dit is een sector waar Nederland een belangrijke rol in blijft spelen, zij het dat de machines nog maar in beperkte mate uit Nederland komen. Grotere spelers in de markt, vooral op CAD-CAM gebied hebben een uitgebreid netwerk van kantoren en distributeurs, het is zaak hen in te schakelen bij problemen rond compatibiliteit en vaardigheden om instructies goed om te zetten in patronen en intekeningen.

Omloopsnelheid
In een markt met hoge omloopsnelheden is een snelle omstelling en een optimale levensduur van machines van levensbelang. Beide punten krijgen vaak onvoldoende aandacht van confectionairs. Omstelling van mens en machines naar nieuwe producten gebeurt vaak half of te langzaam. In landen als Tunesië en Marokko wordt veel rendement verloren door te langzame omstelling en omschakeling naar nieuwe modellen of materialen. Ook vindt de omstelling vaak slordig plaats. Het is vaak leren door schade en schande. Met de vele nieuwe materialen is het vaak uitproberen hoe het materiaal zich onder de machine gedraagt in relatie tot draadspanning. Op dit terrein is het nodige te doen, waarbij de vezelproducenten ook een verantwoordelijkheid hebben. De klant, die vaak geen confectiekennis meer heeft, kan ook de weg niet meer wijzen. Men kan aan de achterkant kwaliteitscontrole uitoefenen, in de band ingrijpen zit er niet meer bij.

Onderhoud sluitpost
Gemiddeld dient men een budget voor onderhoud en aanpassing aan te houden dat gelijk is aan het aanschafbudget. Onderhoud is vaak een sluitpost, ook vaak omdat de mecaniciens hun domein jaloers bewaken. In de Oost-Europese landen is men nog ongelofelijk behendig met stukjes schroot en weet men eigenhandig allerlei aanpassingen te realiseren. In Noord-Afrika is men doorgaans minder behendig. Veel confectionairs zijn bang voor pottenkijkers, maar ondertussen loopt het onderhoud achter. Het is soms van belang dat een geïnteresseerde buitenstaander meekijkt. Ook daar kunnen machineleveranciers en hun agenten/distributeurs een rol spelen.

Internationale productie is en blijft handwerk. Als de eigen armen te kort zijn is het zaak daarbij de juiste partners in de productielanden te vinden die de kennis en ondersteuning kunnen bieden om productie fit te houden. Leveranciers van machines spelen daarbij een belangrijke rol.u